maandag 13 februari 2012

Toepassingskaart 8: Nederlands als tweede taal

Toepassingskaart 8 – Nederlands als tweede taal: woordenschatdidactiek.

Prentenboek dat centraal staat in de lessenserie: Kikker in de kou.

Motiveer de keuze voor dit prentenboek: ik heb dit prentenboek gekozen omdat ik vind dat er veel woorden in staan waarmee de woordenschat van de leerlingen erg uitgebreid wordt. Ook heeft het veel te maken met de tijd van het jaar, het sluit mooi aan bij het thema winter.

Ik heb ervoor gekozen om de volgende woorden aan bod te laten komen tijdens de lessen :

Schaatsen

De schaats

Geschrokken

Bevroren

Glijden

Het ijs

De vacht

Beweging

De kachel

De sneeuwvlokken

Languit

Zielig

De soep

Tevreden

De trui

Omdoen(sjaal)

Aandoen(wanten)

De kou

De sneeuwbal

(de) Kachel

De drie lessen waarbij het prentenboek centraal staat:

Ø Eerst het prentenboek introduceren. Waar zal het over gaan? Dan de leerlingen zelf het verhaal laten vertellen door de plaatjes van het boek te laten zien.

Bij deze twee opvattingen over het aanbieden van prentenboeken in relatie tot taalachterstanden, kunnen enkele aantekeningen worden gemaakt. Als een leerkracht een prentenboek wil gebruiken om de taalontwikkeling van kinderen te bevorderen (en dat is in de meeste gevallen zo) zal zij er voor kiezen om het niet één keer, maar meerdere keren aan te bieden. De eerste keer zal ze het introduceren met behulp van voorwerpen of met behulp van een gesprekje en -bij taalzwakke kinderen- het verhaal in haar eigen woorden vertellen. De volgende keren zal ze steeds meer overgaan op het letterlijk voorlezen van de tekst.

Dat heeft bijvoorbeeld te maken met de ervaring van leerkrachten dat de taal in prentenboeken soms erg moeilijk is. Dat is vooral het geval met vertaalde prentenboeken, zoals die van Lucy Cousins, maar soms ook met Nederlandstalige prentenboeken, zoals die van Max Velthuijs of van Hans de Beer. Mogelijk is het hier dus niet òf òf (òf een eigen variant, òf de taal uit het prentenboek), maar èn èn.

Ø De keer daarna het prentenboek voorlezen. Hierbij ook te ‘moeilijke’ woorden gebruiken, zodat ze deze juist horen.

Hoe bied je een prentenboek aan aan kinderen met een taalachterstand? Uit onderzoek is gebleken dat de woordenschat van kinderen vooral wordt vergroot door het daadwerkelijk aanbieden van de taal uit het boek en niet door die taal te vereenvoudigen of door gebruik te maken van allerlei voorwerpen of andere introductiematerialen om jonge kinderen te interesseren voor een boek (Bus en De Jong, 2007).

Het is zinvol bij de prentenboeken verwerkingsmaterialen te maken of te zoeken (kleurplaten, memory etc.)

http://www.slo.nl/primair/leergebieden/ned/taalsite/lexicon/00401/

Ø Bij het boek kun je woordkaartjes maken met onderstaande woorden. Deze kun je op een kaartje plakken met een afbeelding erbij.

Schaatsen

De schaats

Geschrokken

Bevroren

Glijden

Het ijs

De vacht

Beweging

De kachel

De sneeuwvlokken

Languit

Zielig

De soep

Tevreden

De trui

Omdoen(sjaal)

Aandoen(wanten)

De kou

De sneeuwbal

(de) Kachel

Ø Met deze plaatjes die je dan voor elk woord gebruikt kun je ook een memorie maken.

Een voorbeeld van deze plaatjes vind je hierachter.

Ø Een andere les die bij dit prentenboek kan worden gedaan is aan de hand van DGM vragen(Denkstimulerende Gespreksmethodiek). Uitleg hierover is hierachter te vinden, evenals de DGM vragen bij dit prentenboek.

Deze les is gedaan met de leerlingen van groep 2, verslag van de observatie heb ik op papier. Zal ik dit in uw postvak doen of is dit niet nodig?

dit is een voorbeeld van een plaatje om te gebruiken voor memory of als woordenschat kaartje.

Uitleg DGM vragen

Hier zie je de DGM vragen bij dit thema.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen